Koningsdag

Het is Koningsdag en de zon schijnt erop los. Absoluut geen dag om de teringzooi in huis op te ruimen. Drie dagen geleden sloot ik achter mij de deur van de cel waar ik acht jaar doorbracht voor een moord die ik volgens mij nooit gepleegd heb. In die acht jaar sprak ik niet veel mensen en weinig tot geen van mijn goede bekenden weet dat ik weer op vrije voeten ben. De ideale gelegenheid om deze Koningsdag volledig aan het toeval over te laten.

Ik pak de drie laatste blikjes bier uit mijn koelkast, klop het stof van mijn rugzak voor ik ze erin stop en zwaai ze over mijn schouder. Op tafel liggen, verkreukeld in elkaar, twee briefjes van tien die ik in een propje in m’n broekzak stop voor ik naar de voordeur loop. Het feest kan beginnen.

Ik loop van mijn huis op Borneo-eiland langs het IJ naar het Centraal Station. Oranje boa’s dansen om de nekken van langs het water fietsende tieners die al sinds gisteravond bezopen zijn. Ik klik een biertje open en sluit mijn ogen voor het nemen van de eerste slok. Bij slok twee, drie en vier steek ik mijn kin de lucht in en voel ik de warmte van de zon op mijn gezicht. Ik ben er nog een beetje onzeker over, maar het lijkt net alsof het leven me weer voorzichtig toelacht.

Aangekomen bij Centraal zie ik oranje, rood, wit en blauw van de pontjes het station instromen. De trotse eigenaren van outfits die verraden dat ze het hele jaar lang te weinig plezier hebben gehad. Ik sla linksaf het station in en zie hoe ook de roltrappen het oranje volk op stadse bodem laten landen. Zelf draag ik onder mijn zwarte vest een oranje shirt dat ook wel eens voor rood of zelfs voor roze is uitgemaakt, en op mijn hoofd een groene pet.

Als een oranje hart pompt het Centraal Station de menigte de stad in en op het stationsplein kijkt iedereen elkaar aan alsof dit de eerste keer is dat ze hier onderdeel van uitmaken. Ik verlaat de hoofdader, die verderop op het Damrak al begint dicht te slippen, en loop rechtsaf in de schaduw naar het fietsbruggetje richting de Haarlemmerstraat. In de tunnel onder de Prins Hendrikkade staan naast elkaar twee kalende mannen met allebei in de linkerhand een halve liter bier, en in de rechterhand een lul, tegen de muur aan te zeiken over hoe warm ze het hebben. Geïnspireerd trek ik mijn vest uit en verruil het met het tweede blikje bier in mijn rugtas.

Aan het begin van de Haarlemmerstraat proberen mensen aan een steigerbuis te hangen om geld te verdienen. Of eigenlijk loopt de eigenaar van de stelling helemaal binnen omdat de steigerbuis loszit en om z’n as draait waardoor het onmogelijk is om er, zonder je duimen te gebruiken, langer dan twintig seconden aan te blijven hangen. De tientjes vliegen zijn zak in terwijl de ene na de andere blaaskaak het niet lukt zichzelf aan zijn vriendin te bewijzen.

Ik loop de Haarlemmerstraat in en de geur van bier, zweet en vers gebakken hamburgers waait me tegemoet. Langzaam met de menigte mee, of schouderduwend erdoorheen bewegen zijn de opties en ik kies voor het eerste. Boven mijn hoofd kijken de straatbewoners trots neer op hoe het volk van hun stad geniet en beneden zorgt het felle oranje voor eindeloze verbondenheid. Terwijl ik me langzaam aan de kudde overgeef hoor ik dwars door het lachen, smakken en brullen heen, een melodie uit een instrument dat ik niet meteen kan thuisbrengen. Hoe verder ik de straat in loop hoe zekerder ik denk te horen dat het om een viool gaat. Eén voor één maken de dronken dansende en schaars oranje geklede types in mijn gezichtsveld plaats voor de artiest achter het strijkinstrument. Een oude man die met zijn slechte baardgroei toch een redelijke lange witte baard voor elkaar heeft gespaard. Zijn melancholische gestrijk lijkt niemand op te vallen, maar ik besluit te blijven staan. De menigte stroomt als een oranje rivier aan twee kanten langs me heen terwijl ik van tien meter afstand de inspanningen van de violist bestudeer. Op het bovenblad van zijn viool zit naast de uitloop van de hals een ronde gele smiley sticker. Voor hem op de grond ligt een bruine leren pet die, tot mijn verbazing, gevuld is met niet alleen munten, maar ook meerdere briefjes van tien en twintig en zelfs één van vijftig. Langzaam loop ik richting de grijsaard terwijl ik de in elkaar gekreukelde briefjes van tien in mijn broekzak tegen elkaar aan wrijf. In de laatste drie meter versnel ik mijn pas. Ik buk naar de grond, gris het briefje van vijftig en een hand vol andere briefjes uit de pet en veer in één vloeiende beweging terug de oranje rivier in.

Iedereen is te blij om iets in de gaten te hebben en voordat ik met schouderduwen begin, merk ik op dat de man onverstoorbaar doorspeelt. Met lange trage halen probeert hij nog altijd zijn met de sfeer contrasterende melodie aan de niet luisterende feestgangers te laten horen. Net op het moment dat ik besluit dit hele gebeuren snel te willen vergeten, stapt er een jongen van een jaar of zeventien met een zwart spijkerjack en een oranje bolhoedje op de man af. Hij legt zijn hand op de strijkarm van de man waarop die langzaam tot stilstand komt. Met zijn andere hand pakt hij de viool beet om hem vervolgens met één krachtige beweging van de man los te rukken. Ik twijfel of ik dit echt zie gebeuren omdat tientallen mensen die dichterbij staan geen enkele gedragsverandering vertonen. Even lijkt het alsof alle bewegingen wat vertragen en ook de enthousiaste keelklanken van de omstanders komen iets gedempt mijn oren binnen. Er schuift langzaam een kleine wolk voor de zon en de man zakt door zijn knieën op de straat.

De wolk schuift weg, het gedempte geluid laait weer op en de jongen rent met de viool tegen zijn borst geklemd mijn kant op. Zijn bolhoedje waait voor mijn neus van z’n hoofd af op de grond, en de jongen botst om me heen de mensenmassa in. De handen van de man blijven staan in de houding waarin hij de viool vasthield. Zijn hoofd draait langzaam mijn kant op totdat zijn ogen die van mij vertellen dat met elke meter die de viool verder van hem verwijderd raakt er meer van zijn ziel uit zijn lichaam wordt meegenomen. Een blik zo hol en verdrietig dat zelfs mijn hart ervan doormidden breekt.

Ik pak het oranje bolhoedje van de grond, smijt het weer terug en ren de ruimte in die de jongen met zijn geduw in de massa heeft achtergelaten. Geld is van ons allemaal maar die man z’n viool ontnemen is echt duivels. Balancerend op mijn tenen probeer ik over de kroontjes en petjes heen te kijken hoe groot de voorsprong van de jongen is. Zo’n twintig meter verderop zie ik de menigte uit elkaar bewegen. Ik duw mijn armen naar voren en probeer mezelf met zwembewegingen zo snel mogelijk door het feest heen naar de jongen te werken. Aan het einde van de straat zie ik hem linksaf de Prinsengracht op gaan. Het kost me een minuut om ook de hoek van de straat te halen. Op het stuk langs de gracht is er ruimte en ik begin zonder dat ik mijn doelwit zie te rennen. Ik ren over de Papiermolensluis richting café Tabac waar een lange rij volle blazen staat te wachten om geleegd te worden. Op het moment dat ik door de rij heen wil schieten, vouwt er zich een gespierde arm om mijn borstkas.
‘Wauw Joris! Wanneer hebben ze jou losgelaten vuile pikkentrekker?’ schreeuwt de eigenaar van de arm in mijn oor. Na twee seconden spartelen besef ik dat het Stevie is die ik een week voordat ik de bak inging voor het laatst sprak in Paradiso Noord. Een eerste klas klootzak die wel altijd aan het juiste spul wist te komen.
‘Heb je een jongen met een zwart spijkerjack en een viool voorbij zien rennen?’ vraag ik hijgend.
‘Hoe lang ben je al vrij en hoe durf je hier rond te lopen?’ antwoordt Stevie.
‘Hij moet hier langsgekomen zijn,’ zeg ik.
‘Heb je jezelf nu alweer in de problemen gewerkt?’ vraagt Stevie terwijl hij zijn arm van me afhaalt.
‘Ik los problemen op tegenwoordig.’
‘Kom effe een biertje doen, Jean en Chrissy zijn er ook, ze zullen nooit geloven dat je hier bent.’
‘Heb je die jongen gezien of niet?’
‘Er rent hier niemand met een viool man, ben je wel helemaal in orde?’
‘Ik zie je later, groeten aan Chrissy en zeg tegen Jean dat ik het niet vergeten ben.’

Ik ren verder en zie in de verte hoe de jongen ter hoogte van de vergulde Gaper met de viool boven zijn hoofd de gracht oversteekt. ‘Stop die klootzak,’ roep ik naar de brug. Minstens drie mensen voelen zich aangesproken en kijken verward om zich heen. Ze lijken de viool en de jongen totaal niet op te merken. Ik ren de brug op en word door sommigen verbaasd en door anderen kwaad aangekeken. ‘Ga naar huis, je bent niet goed.’ Bijt één van hen me toe.

Ik ben hem kwijt, jammer ik in mezelf terwijl ik verder de Jordaan in loop. Ter hoogte van Café Nol steek ik de Westerstraat over. Hoe kan ik zo stom zijn die achterlijke Stevie te woord te staan? De teksten van André Hazes schallen uit de keel van een slechte imitator door de met bier overgoten straat. Ik geniet er niet van en loop een straat aan de overkant in waar het iets rustiger lijkt. Aan de rechterkant van de straat staat een waterbak waar kindjes met hengeltjes gekleurde plastic eendjes uit proberen te vissen. Een deur verderop verkopen moeder en dochter cake en kan er geplast worden voor een euro.

Ik laat de cake in de zon verpieteren en net voordat ik mijn laatste biertje wil openen herken ik het geluid van de viool. Helemaal aan het einde van de straat staat een klein jongentje dezelfde dramatische melodie te spelen waar de grijsaard zich net ook populair mee probeerde te maken. Er loopt verder niemand in dat deel van de straat. Op de grond voor de jongen ligt een bruine leren pet. Ik open mijn blikje waarvan de helft van de inhoud door het schudden over mijn hand heen loopt. Met mijn droge hand graai ik de grote prop papiergeld uit mijn broekzak. Ik rommel de briefjes wat uit elkaar en laat ze onhandig in en om de pet vallen. De jongen speelt onverstoorbaar door en de gele smiley kijkt me glazig aan vanaf het bovenblad van zijn viool.

Ik wil naar huis.

 

Meld je aan en ontvang de volgende publicatie in je inbox.
Ja leuk   Misschien later

Of deel dit verhaal via onderstaande buttons.

Type je zoekwoorden hierboven en druk op Enter om te zoeken. Druk ESC om te annuleren.

Terug naar boven